Down syndroom?

15-08-2013

Ik schiet als een doorgewinterde treinreiziger - rug recht, sleurkoffer, zelfverzekerde blik - omhoog naar spoor 14 op Rotterdam Centraal. Bestemming Amersfoort, waar een bijzonder mens op me wacht. Wachtend op de trein, signaleer ik nóg een bijzonder exemplaar: een kleine compacte vrouw - met een licht Downsyndroom, stel ik vast. Ze loopt immers stralend glimlachend over het perron, haar bovenste oogleden net zo zwaar als de onderste, ogen tikje schuin, ietwat grauwig uiterlijk en een kilo of 10 te zwaar. De kleding is weliswaar te krap in de buikregio, maar leuk en modieus.

Wat fijn toch, denk ik, een blij mens, zonder zorgen, netjes gekleed door een lieve verzorgster, tijdens een happy winkelsessie. En nu lekker helemaal alleen op stap. Heerlijk.

Vervolgens ging het simpelweg verder zoals het dan vaak verder gaat: juist de persoon waarmee je even oogcontact maakt, juist die ene mens die jou opvalt, komt pal tegenover je in de trein te zitten. Knie aan knie met een tafeltje ertussen.

De vrouw installeert zich aan het raam, glimlacht nog steeds, en haalt  uit haar grote tas een bruine zak van Burger King tevoorschijn. Ze vist er een enorme bak friet uit, met een onvoorstelbaar gore klodder mayonaise. Dankzij Down niet gehinderd door enig inlevingsvermogen richting medereizigers (de trein zit tjokvol en de frituurgeur is misselijkmakend) begint ze met een gelukzalige blik in haar ogen op haar dooie gemak de frietjes met haar korte vingers op te peuzelen, de mayonaise zorgvuldig aflikkend. Het lege bakje wordt zonder pardon op het tafeltje – onder mijn neus – geplaatst. Dan komt er een beker frisdrank uit de zak, met deksel en rietje. Met gretige slokken zuigt ze alles naar binnen; het laatste bodempje luid reutelend. Dan tovert ze nog twee hamburgers tevoorschijn, en laat ook die in no time weer verdwijnen.

Ik wissel blikken met medereizigers en bespeur dat zij net als ik hopen dat de lucht nu snel optrekt, maar eigenlijk gunnen we het haar van harte.  

Mijn reisgenote is nu volledig voldaan, tuurt wat naar buiten en pakt vervolgens haar mobiel.  Jee, denk ik weer, wat een mooie mobiel heeft ze. En dan swipen met die plakkerige mayonaisevingers . Maar ja, ze moeten toch bereikbaar zijn en ze zal wel een leuk spelletje gaan doen.

Ik lees daarop wat in mijn boek en dwaal af. Ineens hoor ik een eigenaardige stem  - vlakbij. Een prachtige, licht geaffecteerde stem, helder en duidelijk, met een vleug overwicht erin. Moeilijke woorden in de zinnen. Ik kijk op. Het is mijn Down-overbuurvrouw. “Hee Ewout, met mij, ja! Luister eens, ik ben om kwart voor zes in Zwolle. Kwart voor zes ja! Haal je me dan even op? Ja? Okee, uitgang station. Dus Ewout, dat is dan afgesproken, jij zorgt dat je daar om kwart voor zes staat. Goed, okee, tot zometeen! Hoi!’

Daarna pakt ze direct een boek uit haar mooie leren tas. Ik spiek, verbijsterd door mijn inschattingsfout. Er staat iets op de boekomslag over de filosofische achtergronden van de middeleeuwse orde van kasteelheren, of zoiets. Bij de eerste treinstop gaan er mensen in- en uit. Zij staat bliksemsnel op en gaat in het vak naast me zitten, zodat ze vanaf nu vooruit rijdt.

ik besef: kennelijk een dame die vrede heeft met haar uiterlijk, met alles eigenlijk. En met een Ewout die zich te pletter haast om op tijd te zijn. Eerste indrukken zijn niet altijd de juiste.