Jan met de lege accu

20-02-2014

De man heeft het koud en zegt dat ook. Hij ziet bleek maar heeft een grappig Drukwerk-achtig wollen mutsje op zijn kale hoofd. Hij sloft door de gang van de polikliniek, een mobiel infuus meetrekkend en een echtgenote in zijn kielzog. Ik sla het echtpaar gade en knik ze bemoedigend toe: hier, hier bij mij is het lekker warm, bij de radiator. Dat wil ik eigenlijk zeggen. Maar een stemmetje sist nijdig: hou toch eens gewoon je kop. Ga je je nu hier ook weeral met iedereen lopen te bemoeien? STIL!

Dus ik zwijg, laat maar.

De vrouw ploft daarop toch pal naast me neer, op de plek waar zich twee minuten eerder de lauwwarme billen van een bejaarde mevrouw bevonden. De rode nepleren zitting is dus voorgegloeid. Aaaah, zegt ze. Dat is lekker warm, en ze start direct een schietspelletje op haar mobiel - haar man volkomen negerend.  Jahaaa, zeg ik dan toch, er zat net nog een mevrouw, en naast u zat ook iemand, dus daar is het ook echt heerlijk om te gaan zitten.

En ik kijk weer vriendelijk naar de nog steeds staande man met zijn mutsje en infuus: kom, kom hier, dan bent u zó weer op temperatuur, gebaar ik. Hij snapt het en maakt inderdaad aanstalten om op de voorverwarmde plaats te gaan zitten.

Maar dan, ineens, gaat er een gillend alarm in zijn mobiele installatie af.

Ik schrik me te pletter en in een milliseconde spelen zich hele taferelen in mijn hoofd af. Straks is het verstopt of zo en valt-ie dood neer hier! De andere wachtenden kijken verstoord op. “O jee, o jee, de accu is leeg”, stamelt de zieke man in lichte paniek. “Wat nu, wat nu?” Ik scan direct de hele ruimte en signaleer een stopcontact tussen twee deuren, wijs het de man aan. Maar ja, daar is geen stoel. Hij draalt en twijfelt en treuzelt. Het alarm piept door. En naast me zit zijn vrouw, die niets doet. Helemaal nul, nada, niks. Ze speelt onverstoorbaar verder op haar mobiel en laat haar man volstrekt aan zijn lot over. Het alarm piept en piept. Steeds meer mensen kijken zorgelijk op en om. Ik begin me plaatsvervangend hevig te schamen voor mijn buurvrouw,  mijn sekse en ons algemeen functioneren als echtgenotes. Hij kanker, nee zíj is hier het kankerwijf, denk ik nog. Dan zegt ze kalmpjes, zonder ook maar op te kijken: “Jan, ga nou gewoon effe naar de behándelafdeling terug, Jan. Haal effe een nieuwe accu Jan.”

Jan treuzelt en draait, probeert nog uit hoe lang het snoer is. Een andere mevrouw biedt hem een stoel aan naast het stopcontact. Ik zeg nog nijdig: hebben ze hier dan geen verlengsnoeren of zo? De vrouw speelt ondertussen rustig verder en zegt nog eens afgemeten. ‘Jan, de BEHANDELAFDELING!’

Jan besluit dan maar richting behandelafdeling te sloffen. Nagekeken door vele ogen druipt hij af met zijn infuus, dat inmiddels in paniekstand twee is komen te staan. Ik ben verbijsterd. Hoe hard kan je zijn??? Dan kijkt de vrouw even op van haar mobiel en zegt tegen me: “Mánnen, je wordt er toch helemaal gek van? Luisteren ho maar.”

Ik weet vooralsnog helemaal niks meer te zeggen. Na vijf minuten komt Jan glunderend terug. “Hee, ik was effe naar de behandelafdeling en heb een hele nieuwe accu!”

De vrouw kijkt op met één oog, ik voel iets aankomen wat ik niet weet, ik hoor haar denken: zal ik – ik zei het toch – zeggen…?

En ja. Ze doet het, genadeloos, kanker of niet. “Jan, jongen, ik zei het toch, die accu was daarnet al bijna leeg, maar ja…. Luisteren, ho maar.”

Ik ben er stil van, ga razendsnel van woede naar bewondering naar ontroering. Ik besef wat ik zojuist heb mogen meemaken. Een vrouw die ondanks zijn slechte toestand weigert haar man als patiënt te zien. Jan is gewoon nog steeds Jan en eigenwijs als altijd. En met zo’n vrouw is Jan eigenlijk het beste af. Want ook Jan wil gewoon Jan blijven, kanker of niet.